22/05

Wat zei ik ook alweer?

Een beeld houwen is een kunst. Maar een beeld houden valt ook niet altijd mee.

Taal wordt pas echt maf als mensen niet (meer) weten wat ze zeggen. En dat komt vaker voor dan je denkt. Ik heb ooit een politica de term ‘emissie-uitstoot’ horen bezigen. En gisteren stond iemand op het journaal te kletsen over ‘naastgelegen belendende percelen.’ En wat dacht je van ‘de omgeving die ons omringt’? Jaren geleden bewees een staatssecretaris hoeveel zij van cultuur hield: ze had thuis een poster hangen (zo!) met daarop een gedicht (toe maar!) dat ze helaas niet kon citeren en waarvan ze de titel noch de maker kon noemen (je kunt ook te veel eisen). Opgezweept tot deze hoogtepunten van ‘cultuur’ begon ze te zwatelen over een ‘beeldhouder’. (Ik denk dat een bustehouder een beeldhouder is die alleen bustes houdt.)

Je kunt daar prachtige etiketten op plakken als ‘tautologie’, ‘pleonasme’ en ‘hypercorrectie’, maar ik zou dit toch liever gewoon ‘onbenul’ noemen.

De medische wereld zorgt ook voor de nodige verrassingen (en verassingen, want je laatste zuchtje is zó geslaakt). Een buurvrouw van mij kreeg van de huisarts een folder met de vraag: ‘Hebt u last van buikklachten?’
Ik stel me dan meteen het volgende gesprek voor:

‘O dokter ik heb toch zúlke buikklachten! Het is verschrikkelijk!’
‘Maar hebt u er lást van? Dat is de vraag.’
‘Och nee, helemaal niet.’
‘Oké, dan is het goed. Niks aan het handje.’
‘Dank u wel, dokter!’
‘Graag gedaan.’

Kun je dan geen last hebben van klachten? Natuurlijk wel. Als je bijvoorbeeld een nieuw toetje op de markt brengt en je allemaal boze mails krijgt van klanten met jeuk en rooie bultjes. Dan heb je beslist érg veel last van die klachten. Maar dat is een heel ander verhaal.

Hoe voorkom ik dat ik dit soort onzin schrijf?

Ik heb duidelijk voor ogen wat ik wil vertellen. En dan vertel ik het één keer.
Er is wel een voorwaarde: een woordenschat van enige omvang.


Categorie: