12/04

Tuintje wieden

Privétuintje – niet snoeien a.u.b.

Ik was met een buurvrouw in het ziekenhuis. Zij had een afspraak en ik hield haar gezelschap. We waren – zoals altijd – veel te vroeg, en we vulden de tijd – zoals altijd – met koffie en een saucijzenbroodje.

We zaten aan een piepklein tafeltje, op twintig centimeter afstand van het volgende piepkleine tafeltje. Aan dat tafeltje zat een oudere man, en aan zijn blik zag ik Het al aankomen.

Je moet weten dat er boven mijn hoofd een enorme, lichtgevende pijl hangt, met de tekst: ‘Twijfelaars, hulpelozen en troostzoekenden aller landen, hier moet je wezen!’ Ik ben dus nooit alléén in de trein, bij de bushalte, bij de parkeerautomaat, in de winkel, in een restaurant of waar dan ook. En ook nu zag ik dat de man aan ons buurtafeltje mijn pijl in de smiezen had gekregen en ons zielvol zat aan te staren. Ik dacht: daar komt Het.

En ja hoor, hij boog zich naar ons toe, en vroeg: ‘Waar komt u vandaan?’

Wij vertelden hem waar we vandaan kwamen, waarop de man zei waar híj vandaan kwam, want dat was de eigenlijke intentie van zijn vraag. Dat snapte ik heel goed. Hij beschreef uitvoerig zijn treinreis, inclusief de tien minuten vertraging in ‘s-Hertogenbosch.

‘Hebt u ook een afspraak hier?’ vroeg ik. Ik ben een kei in het aan de gang houden van gesprekken met mensen die om een praatje verlegen zitten.

‘Nee,’ zei hij. ‘Ik ben er voor mijn vriend.’

Hij vertelde dat een vriend van hem in het ziekenhuis moest zijn (hij wist niet waarvoor), en dat hij was gekomen om op diens tas te passen. Hij gebaarde naar een reusachtige tas, met riemen omgespt, die onder het minitafeltje stond. Ik boog me voorover om het ding in ogenschouw te nemen en kreeg het gevoel dat er iets raars in zat. Misschien een verzameling luciferboekjes uit de dertiger jaren. Of drie jaargangen ‘Mijn modeltrein en ik.’ Of de vuile vaat van afgelopen donderdag. De oude man wist niet wat er in de tas zat, alleen dat hij goed bewaakt diende te worden. Ik ging weer rechtop zitten, en hoorde hoe de man nogmaals de reis besprak. Zijn vriend was met de taxi naar het ziekenhuis gegaan en hijzelf – zoals al vermeld – met de trein. Ik kreeg een hekel aan de vriend.

Daarna besprak onze buurman uitvoerig zijn stamboom en zijn leeftijd.

‘Ik ben nu 72,’ zei hij, langzaam en plechtig. ‘En als er niks gebeurt, dan ben ik volgend jaar rond deze tijd 73.’

Ik kon er geen speld tussen krijgen. En om te laten merken dat ik met belangstelling luisterde en méédacht, zei ik: ‘En het jaar daarop 74!’ Hij knikte wijsgerig.

Nu deze filosofische kwesties waren besproken, begon hij aan het hoofdstuk Kwalen & Medicijnen. Mijn buurvrouw, een prof op dat gebied, luisterde aandachtig, gereed om hem te overtroeven met nog meer kwalen en nog veel meer medicijnen.

De oude man vertelde dat hij ‘elepsie’ had, en hoeveel pillen hij daar ’s ochtends voor moest nemen (3), van welke kleur (een witte en twee blauwe) en hoe (de blauwe doorslikken met water, de witte oplossen). ’s Avonds waren het andere aantallen en andere kleuren, maar ik ben de precieze details vergeten. Ik kon me namelijk even rustig concentreren op mijn saucijzenbroodje, omdat mijn buurvrouw véél meer pillen heeft in véél meer kleuren en vormen, die op alle tijdstippen van de dag moeten worden ingenomen, om nog maar te zwijgen van pufs en injecties. Het gesprek kon wel even zonder mij.

Ik wist bovendien uit ervaring dat de buuv de man al zat te taxeren. Ongetrouwd. Niet stokoud. Een ‘gezellige prater’. Was het wat? Ik wilde de prille romance niet verstoren, en haalde meer koffie.

Toen ik terugkwam en de koffie neerzette, viel er net een stilte. Dus vroeg ik: ‘Wat voor werk hebt u gedaan?’

De man was tuinman geweest. Hij vertelde trouwhartig dat hij nog steeds graag tuinierde, en dat hij het prettig vond als struiken, boompjes, klimopjes en gazons er puik bij stonden, klommen en lagen.

Om dat te illustreren vertelde hij ons dit verhaal, en ik zweer bij alles wat me heilig is dat hij het letterlijk bedoelde. Hij was een keurige man. Enige dubbelzinnigheid was hem vreemd. Hij leefde in godsvrucht en eerbaarheid, nam zijn pillen stipt op tijd en paste braaf op de geheimzinnige tas van zijn egoïstische vriend, die hem met de trein liet reizen terwijl hij zelf lekker in een taxi zat.

Hij zei: ‘En dan heb ik zo’n vrouwtje…’

Hij bedoelde niet dat hij een vriendin had of een losse scharrel. Hij bedoelde dat hij een dame kende die in de buurt woonde. Daar viel niet aan te twijfelen.

‘En daar liep ik toen langs, en toen vroeg ik: ‘”Zal ik je tuintje effe schoffelen?” Want dat zag er niet uit, dat tuintje. Veel te lang niet geschoffeld. Maar zij zei: “Nee, doe maar niet. Dat is privé.”‘

De man keek ons met zijn grijsblauwe ogen onschuldig aan. Zo’n verwaarloosd privétuintje toch! Het was meer dan een mens kon verdragen. En ik werd terstond – in het diepste geheim – onwel. Ik kreeg kramp in mijn kaken, ribben en middenrif vanwege de lachbui die ik met alle geweld zat te onderdrukken. Het lukte me nét, al was mijn vriendelijke glimlach wel wat erg breed voor een gewone vriendelijke glimlach. We namen afscheid van de tuinman, en zorgden dat we op tijd bij de dokter van mijn buuv waren. Daarna wandelden we richting de uitgang. En na een half uurtje wachten zat ik rustig achter in de taxi. De taxichauffeur vertelde een heel flauwe mop. Misschien heeft hij overwogen ontslag te nemen en als stand-up comedian aan de slag te gaan, want vanaf de achterbank rolden zoveel enorme lachsalvo’s over hem heen, dat hij zichzelf beslist als de grappigste man ter wereld moet hebben beschouwd.

Dat wás hij ook. Op de tuinman na.


Categorie: