14/06

RTFM

Dit kon wel eens een heel duur gaatje worden.

Nee, nee, dit gaat niet over dat ene grote Zweedse meubelbedrijf. Het gaat over dat ándere grote Zweedse meubelbedrijf. Althans: ik heb altijd aangenomen dat dat ook Zweeds is.

Het voordeel van dat ándere bedrijf is dat de boekenplanken recht blijven, ook al zet je er boeken op. Dat is een groot goed voor een bibliofiel. Ter vergelijking: toen ik bij een verbouwing de kasten van dat éne grote Zweedse meubelbedrijf even op hun zij legde, schommelden ze zachtjes, als grote hobbelpaarden. Dat zie je niet zo als ze rechtop staan, maar ze hadden in de loop der jaren een heuse tonvorm aangenomen. En daarom koos ik ten slotte voor dat ándere grote Zweedse meubelbedrijf, dat weliswaar heel dure, maar ook bijzonder mooie en degelijke spullen levert.

Zo ook een zwartegelakte houten archiefkast met een hangmappenlade.

Ik weet niet wat die Zweden mankeert, maar volgens mij zijn ze verzot op schroeven en knutselen, want ook hier moest veel geschroefd en geknutseld worden. En – alsof het allemaal niet erg genoeg was – geboord. In een heel zware, heel dikke en vooral ongelooflijk dure plank die het paneel van de hangmappenlade moest worden.

Of ik zelf de handvatten er maar even op wilde zetten en – o ja – dus eerst even de gaten wilde boren. Ik had visioenen van gaten op de verkeerde plaats, onder een rare hoek en met rafelige randjes, maar wonder boven wonder kreeg ik de handvatten keurig op hun plaats. Niks meer aan doen.

Wat nu volgde was een stuk ingewikkelder. Ik besloot dus voor ééns in mijn leven gehoor te geven aan het RTFM-bevel (Read The Fucking Manual) en bestudeerde ijverig de montagehandleiding. Die bestond alleen uit een tekening. Ik zag er twee metalen beugels op, die ik tegen de binnenkant van de kast moest schroeven. Die beugels waren het schuifmechanisme. Op die beugels kwam een metalen constructie voor de hangmappen te hangen, en daar moest dan dat paneel tegenaan.

Eerst de beugels bevestigen. Dat was een makkie. De metalen constructie paste er precies op. Mooi zo. Nu moest het paneel er nog aan vast. Of ik in de achterkant daarvan dus óók nog wat gaten wilde boren. Het angstzweet brak me weer uit. Je moet de goden niet verzoeken, en al helemáál niet tweemaal achtereen. Laat staan de noordse goden; die zijn nog erger dan de rest.

Ik haalde de metalen constructie weer uit de kast, en zette haar op de achterkant van het paneel. Daar tekende ik met een wit potlood de plaats van de boorgaten af. En boren maar weer. Nog steeds geen rampen. Paneel vastgeschroefd. Metalen constructie met paneel en al op de beugels gehangen. Het paste nog steeds! De handvatten zaten nog precies waar ze hoorden: bovenaan. En verder leek alles min of meer recht. Het leek wel of het allemaal ging werken!

Toen ik de la een triomfantelijk zetje gaf, bleef hij pesterig op een kier staan. En niet zo’n beetje ook: aan de bovenkant zat zeker twee centimeter lucht. Ik duwde tegen de la. Noppes. Ik duwde hard tegen de la. Geen beweging in te krijgen. Ik trok de la naar buiten en tuurde in het inwendige van de kast. Daar leek de boel oké. Ik bestudeerde de montagetekening. Alles klopte. Alleen kierde de la op de tekening niet.

Ik tilde het paneel uit de kast en bekeek de beugels. Die zaten precies zoals op de tekening. Gelukkig was er op dat punt geen vergissing mogelijk: er zat op beide beugels een uitsparing aan de onderkant, zodat het onmogelijk was die dingen te verwisselen. Ik zette het paneel weer op de beugels en sloot de lade.

Kier.

Nadat ik dit hele proces nog een keer of vier had herhaald, belde ik mijn goede vriend Coen. Coen is niet noodzakelijkerwijs een betere knutselaar dan ik, maar in bepaalde gevallen is hij onmisbaar. Ten eerste is hij praktisch. Ten tweede krijgen wij nóóit ruzie. En ten derde kunnen wij samen, als alles echt uit de hand loopt, ontzettend de slappe lach krijgen. Ook als we net een paneel van 900 gulden (toen nog) hebben verprutst.

Samen met Coen werkte ik het hele riedeltje nog driemaal af. We bestudeerden de tekening tot we scheel keken. We schroefden, maten, schoven, duwden en vloekten, maar wat we ook deden: de la bleef pesterig op een kier staan.

Ten slotte besloten we helemaal, maar dan ook echt hélemaal opnieuw te beginnen. We haalden zelfs de beugels weer uit de kast. Terwijl Coen bezig was het paneel los te schroeven, bestudeerde ik de beugels. Wat de binnenkant was, was duidelijk. En – ik keek nog eens naar de tekening – dat uitsparinkje moest echt, écht, écht aan de onderkant. Eigenlijk vond ik het knap lullig dat het grote Zweedse meubelbedrijf niet op een andere, duidelijker manier had aangegeven wat links moest en wat rechts. Je moest wel een halve Sherlock Holmes zijn om dat aan de hand van dat uitsparinkje af te leiden. Ik tuurde naar de beugels, en vroeg me af of het al tijd was voor de slappe lach, want dit ging niet meer goed komen. Maar plotseling viel me iets op. Ik keek. Ja hoor. Ik keek nog eens. Verhip! Ik keek in de andere beugel. Het was waar! Wat een geluk dat ik bijziend ben, en dus geknipt voor het lezen van ietepetieterige lettertjes!

‘Coen,’ zei ik. ‘Je gelooft het niet, maar er staat in elke beugel een héél klein lettertje gestanst. Het is bijna onleesbaar. Maar ik geloof dat hier een L staat en daar een R.’

Ach, zo! Of Ågh sø!

Waaruit blijkt dat je wel the fucking manual kunt lezen, maar dat dat niet altijd helpt als de tekenaar een paar onderdelen ondersteboven heeft getekend; het uitsparinkje moest aan de bóvenkant zitten.

Vijf minuten laten zaten de beugels weer in de kast, maar nu zat de linker links en de rechter rechts. We tilden het paneel op zijn plaats, en gaven de la een zetje. Hij zoefde met een zacht zuchtje (van opluchting?) dicht.


Categorie: