27/05

Procenten

Procenten hebben ook hun taalkundige kantjes.

Het begrip ‘procent’ zorgt voor veel verwarring, zowel taal- als rekenkundig. Maar het is zo simpel. 

Het woord zegt het al: pro cent. Per honderd.
50 procent is 50 per 100, is de helft.
25 procent is 25 per 100, is een kwart.
Meer dan 100 op de honderd kun je niet krijgen, behalve in taalkundige overdrijvingen zoals het vreselijke: ‘Ik zet me voor 200% in!’

Of… kan het toch? Jawel, het kan toch.

Toen ik ooit iemand uitlegde dat een factuurbedrag inclusief btw (ja, dat is met kleine letters) 121% is van het bedrag exclusief btw, werd me voor de voeten geworpen dat meer dan 100% niet kán. Jawel, het éne kan wel degelijk meer dan 100% van het andere zijn. Het aantal mensen in een groep kan bijvoorbeeld 200% zijn van het aantal mannen in die groep. En het aantal snoepjes in een zak kan 180% zijn van het aantal dropjes in die zak. Daarom is het altijd handig om te vermelden waar je het precies over hebt. In reclameteksten ‘vergeten’ ze dat nog wel eens. Dan zeggen ze bijvoorbeeld dat iets 30% effectiever is. Effectiever dan wat? Dan hetzelfde product een week geleden? Dan een vergelijkbaar product van de concurrent? Zo kun je de consument natuurlijk van alles wijsmaken!

Nu de taal. Ten eerste hoort er geen spatie tussen het getal en het procentteken, behalve in wetenschappelijke teksten.
Ten tweede is ‘procent’ enkelvoud, en dus zeg je ‘Meer dan 50% heeft gestemd.’
Als je er een meervoudig zelfstandig naamwoord bij zet, mag je ook ‘hebben’ gebruiken, maar liever niet. Zeg nou zelf: ‘Meer dan 50% van de kiezers hebben gestemd’ is heel naar.

Het had minstens 80% moeten zijn.

 

 


Categorie: