18/06

Ik denk, denk ik

Ja, je kan wel zo véél denken…

Mijn fascinatie met taal begon al heel vroeg. En dat maakte het leven niet altijd gemakkelijk. Zo heb ik als kind (ik zal niet ouder dan een jaar of vijf geweest zijn) eindeloos lopen tobben over het woord ‘denken.’ Ik dacht (althans, ik nam aan dat ik dacht) dat ik nooit zeker zou kunnen weten of ik dacht. Want wat wás denken nou precies? Als andere mensen zeiden dat ze dachten, was dat dan hetzelfde als wanneer ik dacht dat ik dacht? Was het de onhoorbare stem in mijn hoofd die hele redenaties hield (ik kende het woord ‘redenaties’ nog niet), plannen maakte, het verleden van commentaar voorzag? (Ik kende het woord ‘commentaar’ ook nog niet.)

Rood
Elk kind vraagt zich wel eens af of de kleur die de één ‘rood’ noemt er hetzelfde uitziet als de kleur die de ander ‘rood’ noemt. (Ik weet zeker van niet, want mijn ene oog ziet de wereld beslist een ietsepietsje groener dan het andere oog.) Deze vraag lijkt erg op die over ‘denken’, maar is minder fundamenteel. Ik stelde het werkwoord ‘denken’ zélf ter discussie. Na heel veel piekeren en peinzen, ook twee varianten van denken, besloot ik maar als werkhypothese aan te nemen dat wat er elke dag, elke minuut, elke seconde in mijn hoofd gebeurde, onder de naam ‘denken’ viel. Maar zeker weten doe ik het natuurlijk nog steeds niet. Ik kende het woord ‘werkhypothese’ trouwens ook nog niet – wat leert een mens toch veel in zijn leven.

Cogito ergo sum
En zo kom ik tot een ietwat verbijsterende conclusie. Descartes zei: ‘Ik denk, dus ik besta.’ Ik denk (?) dat ik denk, maar zeker weten doe ik het niet. Dus rijst de vraag: besta ik wel? Voorlopig beschouw ik het maar als werkhypothese.


Categorie: