10/05

Het leg eran

Zo was het eigenlijk bedoeld.

Naast mij woonde jaren geleden een bijzonder drietal: Jaantje, een oude weduwe, Teun, haar volwassen zoon, en ‘ome’ Co, haar bejaarde broer. Ik heb de namen veranderd, want de wereld is klein.

Toen Jaantje een poosje in het ziekenhuis was opgenomen, had ome Co een probleem. Hij was erg slecht ter been. Zijn heupen waren zó broos, dat ze elk moment konden breken onder zijn geringe gewicht. Daarom gebruikte hij zijn fiets als loopfiets, maar daarmee paste hij niet in bus en trein. Het was voor hem onmogelijk om bij zijn zus in Tiel op ziekenbezoek te gaan.

In die tijd karde ik nog rond in een leaseauto, dus ik besloot ome Co af en toe op een retourtje Tiel te trakteren. De etiquette gebood dat we onderweg een min of meer interessante conversatie voerden.

Nou was één van de eerste dingen die me aan de Culemborgers opvielen, hun ongebreidelde nieuwsgierigheid. Toen ik hier kwam wonen, wisten al mijn buren in minder dan geen tijd meer over mij dan ikzelf. Dat kan, omdat ze niet alleen nieuwsgierig zijn, maar ook veel fantasie hebben.

Ik besloot me voor de gelegenheid aan te passen, en vroeg ome Co op authentiek Culemborgse wijze het hemd van zijn bejaarde bast: over zijn voetbalclub, zijn jeugd, zijn broers en zussen… alles! Niet omdat ik dat allemaal wilde weten, maar om de stilte op te vullen.

Na een paar bezoekjes aan zijn zus wist ik alles wat er te weten viel. Waarom hij bij haar woonde (een ontroerend verhaal – hij had op zijn dertigste een blauwtje gelopen, en toen hoefde de liefde voor hem niet meer, dus trok hij in bij zijn zus, haar man en hun zoontje), wat de plaatselijke voetbalclub voor hem betekende, hoeveel zussen en broers hij had gehad en hoeveel daarvan nog leefden… Ik kon niks meer bedenken.

Nu kan ik met veel van mijn vrienden erg prettig zwijgen, maar met ome Co kon dat niet. Er moest gepraat worden. Ik was ten einde raad. Alle onderwerpen waren op. Althans, de onderwerpen waar ome Co over wilde praten. En om de hele stamboom en voetbalclub nóg eens te bespreken, vond ik een beetje te veel van het goede. Het weer hadden we ook al een paar honderd keer gehad en met opmerkingen als ‘het is toch wat’ en ‘nou, nou,’ kun je ook geen 20 kilometer vullen.

Maar net toen ik zat te wanhopen, reden we langs een wei met prachtige, champagnekleurige koeien. Ik riep: ‘Kijk daar eens! Dát vind ik nou mooie koeien!’

Ik voelde meteen dat dit fout ging. Niet bij ome Co, maar bij mij. Ik vermoed dat ik altijd in een toestand van halve dissociatie verkeer: ik zie mezelf voortdurend van binnen én van buiten. Terwijl ik dit gesprek voerde, was ik dader én toeschouwer. De eerste was in paniek, de laatste voelde de eerste opborrelingen van de slappe lach.

Ome Co zweeg geruime tijd om deze geheel nieuwe zienswijze op koeien te verteren. Toen zei hij bedachtzaam: ‘Jaaaaaa, maar weet je wat ík nou mooie koeien vind?’

‘Nou?’ riep ik, met iets hysterisch in mijn stem.

‘Van die zwart-witte. Met van die vlekken!’

Ik deed een uiterste poging om niet in een schaterlach uit te barsten, en beet me vast in de schijnbare veiligheid van een ‘normaal’ gesprek. Mij krijg je niet gek, dacht ik.

Ik piepte: ‘Ja, daar hebt u gelijk in. Maar weet u ook hoeveel melk die beesten eigenlijk geven?’ Ik gaf het niet op!

Daar moest ome Co weer diep over nadenken. Toen zei hij plechtig: ‘Dat is wel tweehonderd liter per dag.’

Tweehonderd liter? dacht ik. Ik sloeg meteen aan het rekenen. Stel dat een uier een bol is van 30 centimeter doorsnede (heb ik dat goed geschat?), dan is de inhoud eh… 4/3 Pi maal r tot de 3de. Zet ik Pi even op 3, dan kom je op 4 maal 15 tot de 3de, dat is eh… Maar tja, een uier is natuurlijk niet gewoon een zak melk. Daar zit ook klierweefsel in, en de wand is best dik… Maar anderzijds worden die beesten tweemaal daags gemolken dus… Kortom, ik was aan het goochelen met cijfers en aannames en vraagtekens, maar ik moest intussen natuurlijk wel de auto op de weg houden.

Ik was nog niet in de búúrt van een uitkomst van deze ingewikkelde som, toen ome Co het verlossende woord sprak: ‘Nou ja, het leg er natuurlijk wél an hoeveel koeien je hep, hè!’

We zijn veilig in het ziekenhuis gekomen, maar ik weet niet precies meer hoe. En ome Co heeft niks aan me gemerkt.


Categorie: