19/06

Het bereide ei

Een kater, daar is geen leiden aan.

Als kind werd ik gek van de termen ‘lange ij’ en ‘korte ei’. Ik worstel er nog steeds mee, want wat is lang? Dat ligt er maar aan. Als je het over een lang woord hebt, dan heb je het over de afstand van links naar rechts. Maar bij een ij of ei gaat het ineens over de afstand van boven naar beneden. Dat is onlogisch. Ik vind een ij eigenlijk kort, omdat hij in horizontale richting minder ruimte inneemt dan een ei. En bovendien is ‘een ei’ iets wat bepaalde dieren leggen om hun jongen mooi verpakt ter wereld te brengen. Ik vind niet dat je over ‘een ei’ kunt spreken als je het over twee letters hebt. Over ‘ij’ kan je nog twisten, omdat – toen teksten nog met lood gezet werden – de letters i en j, gecombineerd tot ij, op één loodblokje stonden. Jullie snappen het: voor de duidelijkheid heb ik het altijd over ‘e, i’ of ‘i, j’.

Sterk en zwak
Als je niet weet of een werkwoord met ‘ei’ of ‘ij’ geschreven wordt, kijk je gewoon even naar de verleden tijd of het voltooid deelwoord. Gaat het om een sterk werkwoord, dan weet je bijna 100 % zeker dat je een ‘ij’ moet schrijven. Kijk maar: ik schreef > schrijven. Hier nog een paar voorbeelden:
Ik verbleef in het hotel > verblijven.
Ik bedreef die sport > bedrijven.
Ik bestreed dat > bestrijden.

Heb je met een zwak werkwoord te maken, dan kun je rustig gokken op ‘ei’.
Het koper geleidde stroom > geleiden.
Hij weidde erover uit > uitweiden.
Ik breide een sok > breien.

Het bereide (?) paard
Er bestaan werkwoorden die je zowel met ‘ei’ als met ‘ij’ kunt schrijven. Ze klinken hetzelfde, maar ze betekenen iets anders. In die gevallen is het helemaal uitkijken geblazen!

De maaltijd is bereid > bereiden. Ik bereid de maaltijd.
Ik heb het paard bereden > berijden. Ik berijd het paard.

De groep wordt geleid > leiden. Ik leid de groep.
Het leed is geleden > lijden. Ik lijd pijn.

Hij had veel gereisd > reizen. Ik reis de wereld rond.
Het deeg was gerezen > rijzen. Het deeg staat te rijzen naast de kachel.

Er zijn (natuurlijk) uitzonderingen. Een bekend voorbeeld is zeiken. Je mag zowel ‘gezeken’ als ‘gezeikt’ zeggen, maar het hele werkwoord is altijd ‘zeiken’, met e, i.

(Aan) katers kun je niet leiden
En hoe zit het met hijsen? Dat gaat gewoon volgens de regel: de gehesen vlag, sterk werkwoord, en dus met een ‘lange’ ij. En zo kan het voorkomen dat mensen zich laten verleiden om het op een hijsen te zetten, waarna ze aan een kater lijden. En dat is logisch. Want ik zeg je: ik heb een kater, en daar is geen leiden aan.

 

 

 

 


Categorie: