05/03

Hebbu een velg?

Hoeveel velgen heb jij in je kofferbak liggen?

Toen ik nog in leaseauto’s rondreed, deed ik dat zo zuinig mogelijk. Niet alleen voor mezelf, maar ook om het milieu een beetje te sparen.

Het zat zo: leaseauto’s werden na vier jaar afgeschreven. Maar het kwam natuurlijk regelmatig voor dat een werknemer met pensioen ging, bij een ander bedrijf ging werken of ontslag kreeg. Dat laatste kon zomaar; het was een Amerikaans bedrijf. Als de bijl viel, pakte je op weg naar buiten (per direct) de zak geld mee die op je stond te wachten, en je ging.

Als je auto nog geen vier jaar oud was, kwam hij in de pool. Nieuwe medewerkers en mensen die aan een nieuwe auto toe waren, mochten zo’n poolauto nemen. Maar bijna niemand deed dat. Bijna iedereen wilde een speciaal merk en type, in een bepaalde kleur, met bepaalde accessoires, en liefst zo duur en protserig mogelijk. Of zo groot mogelijk, om partner, kroost en hond in te kunnen proppen.

Dus stonden die gebruikte auto’s soms jarenlang in de pool te verinteresten, tot ze vier jaar oud waren. Dat vond ik zonde. En omdat het mij niet veel uitmaakte in wat voor auto ik reed, heb ik heel wat poolertjes een rustige ouwe dag bezorgd. Ik heb van alles gehad: een Opel Manta, een Rover met nep-notenhouten dashboard en een overdreven motorgeluid, iets blauws met een enorme spoiler… wat kon het mij schelen?

Het kon dus niet uitblijven: op een dag had ik een Volkswagen Golf.

Het dingetje reed prima, dus ik toog er welgemoed op uit voor mijn jaarlijkse filmbinge: het International Film Festival Rotterdam, waar ik elk jaar in tien dagen 60 films probeerde te zien. Ik ben nooit verder gekomen dan 56, moet ik tot mijn schande bekennen. Dat is de schuld van mijn zus, die altijd omstreeks die tijd jarig is (zó flauw).

Meestal logeerde ik die dagen bij mijn vader in Schiedam, maar dat jaar moest ik heen en weer pendelen tussen Culemborg en Rotterdam. Dat was (ongeveer) 90 kilometer heen en 90 kilometer terug.

Op de eerste dag klapte een van mijn banden. Op de heenweg.

De ANWB kwam, zag, en toog aan het werk. Ik had al enkele klapbanden achter de rug, maar nu maakte ik kennis met een heel nieuw fenomeen: het thuisbrengertje. Mijn Golfje had als reservewiel niet een normaal, volwassen, stevig wiel, maar een soort kleuterwieltje met een nogal simpel bandje. Zo’n thuisbrengertje is bedoeld, zoals de naam al zegt, om je thuis te brengen. Daarna moet je als de sodemieter naar een garage om het thuisbrengertje te laten vervangen door een echt wiel. Maar ik moest nog minstens 45 kilometer héén, en ’s nachts zou ik weer 90 kilometer terug moeten. Dat bezwaarde mij wel een beetje, want eigenlijk was dat verboden. Bovendien mocht je met het thuisbrengertje maar maximaal 90 kilometer per uur rijden.

Het was nog in het smartphoneloze tijdperk, dus dook ik in een korte pauze tussen twee films een telefoonboek in, en ontdekte dat er in Rotterdam een Kwikfit huisde, niet al te ver van het centrum. Ik belde, en inderdaad: ze vervingen ook banden. Ik zei voor de zekerheid nog even in wat voor auto ik reed. Geen probleem, ik kon meteen langskomen. Kijk, je heet natuurlijk niet voor niks Kwikfit. Of wel soms?

Nou, toch wel. In de garage keek de monteur wantrouwig en bozig naar mijn manke autootje, en zei dat hij het benodigde wiel niet in voorraad had. Dat moest hij bestellen. Ik kon over twee dagen terugkomen.

Die avond reed ik, met 90 op de snelheidsmeter, keurig op de rechterbaan naar huis. Er vielen me twee dingen op: ik deed er langer dan een uur over (dat was vreemd), en hoewel er op een vierbaans stuk nauwelijks iemand reed, zat er toch eentje met groot licht vlak achter me. Terwijl er drie banen waren om me in te halen!

Ik mompelde een paar zeemansknopen van mijn grootvader, en bleef keurig 90 kilometer per uur rijden. Dacht ik. Pas later ontdekte ik dat het thuisbrengertje toevallig op de as zat waar de snelheidsmeter aan was bevestigd. En omdat het wieltje zo klein was, en dus per kilometer veel vaker ronddraaide dan de andere wielen, wees de snelheidsmeter een te hoge waarde aan. In werkelijkheid reed ik veel langzamer. De bestuurder van de auto in mijn kielzog probeerde me alleen maar op te voeden, terwijl hij op zijn beurt vast de krachttermen van zijn eigen grootvader nieuw leven inblies. Toch een beetje flauw, met zoveel ruimte op de weg.

Intussen was ik zwaar in overtreding, want ik legde elke dag 180 kilometer af, nog steeds op mijn thuisbrengertje.

Maar ten slotte reed ik voor de tweede keer de garage van Kwikfit binnen. Ik stapte uit, en ging naast de garageman staan, die de zaak weer met veel misprijzen bekeek. Hij was een filosoof, dacht ik. Hij keek en zweeg. Maar ten slotte brak er toch een Parel van Wijsheid uit hem los. Hij zei: ‘Hebbu een velg?’

Hebbu een velg? dacht ik. Ik begreep even niet wat hij bedoelde. Sprak hij een vreemde taal? Moest ik in het bezit zijn van een bepaald formulier in drievoud?

‘Wat zegt u?’ vroeg ik.

‘Hebbu een velg?’ herhaalde de filosoof.

Met enige moeite bedacht ik dat hij misschien bedoelde: ‘Hebt u een velg?’ waarbij ‘velg’ een niet onbelangrijk deel van een wiel is, namelijk het stuk waar de band omheen moet. Ik moest even aan de gedachte wennen, want de garages waar ik wel eens kwam, haalden gewoon een heel wiel, met velg, band en al tevoorschijn, maar hier werkte dat blijkbaar anders.

Ik besloot de gok te wagen, wierp de kofferbak open, wees op het wiel met de geklapte band, en zei met gespeelde overtuiging: ‘Daar is de velg!’

De filosoof filosofeerde verder. Hij verplaatste zijn misnoegde blik van het thuisbrengertje naar het wiel in de kofferbak, en zweeg weer geruime tijd. Had ik het mis gehad? Bedoelde hij toch iets heel anders? Ik kon het me eigenlijk niet voorstellen.

Na een langdurige contemplatie (er is geen beter woord voor), vroeg de monteur ten slotte: ‘Hebbu nog een velg?’

Toen begreep ik dat de man gewoon aartslui was. Hij had geen zin om de bandenlichter te pakken, de kapotte band van de velg te halen en de nieuwe erop te zetten. Hij wilde een lége velg!

Ik stelde me ineens voor dat een mens blijkbaar een kofferbak vol lege velgen moet hebben om bij Kwikfit in de smaak te vallen, en dat bezorgde me de lachkriebels. Anderzijds was ik een beetje bozig vanwege de enorme traagheid en luiheid van de monteur. Dus maakte ik een weids gebaar naar de drie pronte, volwassen wielen onder mijn karretje en zei opgewekt en ietwat schallend: ‘Ja, drie! Maar die krijgt u niet, want daar stáát hij op!’

Toen pakte de monteur het wiel uit de kofferbak, en slofte gebroken weg, richting de bandenlichter.


Categorie: