01/07

Geestige gesprekken

Je vraagt je af waarom die doden altijd zo ingewikkeld doen.

Het blijft altijd een intrigerende vraag: kun je praten met overledenen? Mijn gezonde verstand zegt van niet, want dood is dood, licht uit, geluid uit, gevoel uit (nee, cremeren doet geen pijn), gesprek uit. Maar het zou toch aardig zijn als ik het bij het verkeerde eind had, nietwaar? En omdat ik nu eenmaal altijd alles wil besnuffelen, ben ik naar diverse seances gegaan, en heb ik Jan, Piet en Klaas horen vertellen over het leven aan Gene Zijde.

Had ik het tóch goed
For your information: het gaat allemaal uitstekend met Jan, Piet en Klaas. Ze zijn gelukkig, je hoeft je geen zorgen te maken, ze nemen je niks kwalijk en het is niet eng om dood te gaan. Je grootmoeder is altijd bij je. Ze waakt over je. Dat je brandwonden zo goed genezen zijn is allemaal aan haar te danken. Had ze dan niet beter kunnen ingrijpen toen je de theepot liet vallen? Ach, oma is altijd wat traag geweest, en ook een mens aan Gene Zijde is maar een mens. Ze vindt het fijn dat je haar hangertje draagt. O, is dat haar hangertje niet? Hangertje van de Hema? Ach, gut, dan had ik het toch goed: Oma winkelde altijd zo graag bij de Hema. Zie je: ik kreeg meteen zo’n warm gevoel toen ik dat hangertje zag, maar nu weet ik hoe dat komt: Oma vindt het fijn dat je enzovoort.

Joop, Joep, Jaap, Johannes, Jodocus, Joris, Boris
Het is allemaal niet zo heel moeilijk. Ik heb het voor mijn ogen zien gebeuren. Vijftig mensen in een zaaltje. Het medium staart indringend voor zich uit, en zegt: ‘Ik krijg iets door van ene Joop.’ Ik denk: Joop… Ouderwetse naam. Ik kijk naar het ietwat bejaarde publiek. Het zou heel goed kunnen dat hier een weduwe van ene Joop bij zit. Maar nee, er gebeurt niets. Het medium: ‘Het kan ook Jaap zijn (pauze), of Joep!’ Bingo, denk ik, drie keer kans! Twee oudere dames gaan zenuwachtig verzitten, en beginnen met elkaar te fluisteren. Eigenlijk jammer, ik was wel benieuwd naar het vervolg: Joris, Jodocus, Karel? Het medium strekt zijn hand uit richting verzithoekje en zegt: ‘Ik voel daar een energie!’ En jawel, een van de dames pinkt een traan weg. En je snapt het al: Joep is weliswaar hartstikke dood, maar vreselijk gelukkig. De moeder van de dame is altijd bij haar, en dan is er ook nog een achternicht (Nee, u hebt geen achternicht? Alleen een achterneef? Was daar iets mee? O, hij was homo? Nou, dan had ik toch gelijk: een achternicht! Ha, ha, ha. Om je dood te lachen. Geestig!) die u speciaal de groeten wil doen.

Wat zijn ze toch altijd lief, de doden. Toen ze leefden waren ze nogal eens doodsaai of ronduit etterig, maar nu zijn ze – zeg maar – levendiger dan ooit. Praten met overledenen is een stuk geruststellender dan de gemiddelde babbel thuis of op het werk. Niemand neemt je ooit iets kwalijk, en zelfs de bij leven doodgezwegen achternicht heeft het beste met je voor.

Nu. Of nooit.
Ik wil niemand een illusie afpakken, maar misschien is het toch handiger om het zekere voor het onzekere te nemen. Heb je een naam met een e, een r, een l, een a, een o, een p, een i of een van de andere letters in welk alfabet dan ook, en loopt er nog iemand op dit ondermaanse rond met wie je wilt praten? Iemand die je wilt vertellen dat je van hem houdt? Dat je ergens spijt van hebt? Dat je haar niks kwalijk neemt? Doe het nu. Of houd voor eeuwig je kop.


Categorie: