24/05

Frank

(…) en hoe komt dat er soms donkerpaarse vruchten uit de lucht vallen.

Er leefde, in een heel gewone tijd en in een heel gewoon land, een jongeman die niet erg groot was, maar ook niet bijzonder klein. Hij heette Frank. Van zijn dansende voeten tot zijn dansende krullen was hij over het algemeen heel vrolijk, maar soms, heel soms, maakte hij zich zorgen. Dan hupte hij op zijn tenen voor het grote raam in zijn huisje, waar hij zich precies in kon spiegelen, en bekeek zichzelf van alle kanten.

‘Wat ik ben ik toch gewoon,’ zuchtte hij dan, na een poosje. ‘Wat ben ik toch verschrikkelijk, verschrikkelijk gewoon! Ik ben niet erg lang en niet bijzonder kort, maar zo precies er tussenin. Wat saai! Wat hopeloos, hopeloos saai!’ Dan zakten zijn schouders een beetje af en raakte zijn haar wat uit de krul en leek de wereld om hem heen ineens een stuk minder leuk om doorheen te dansen.

Op een dag besloot hij dat het genoeg was.
‘De mensen hebben niets aan mij,’ zei hij tegen zijn spiegelbeeld. ‘Ik heb niets bijzonders, dus ik denk dat ik maar eens ergens anders ga kijken.’ En zo vertrok hij uit zijn dorp. In het begin wandelde hij gewoon, maar de zon scheen en de vogeltjes zongen en de warme wind uit de heuvels rook naar honing, zodat hij al snel begon te dansen. Hij danste en huppelde langs de groene velden die bestippeld waren met het rood van duizenden klaprozen. Hij glipte als een bosdiertje door de schaduwspikkels die de oude bomen over het pad strooiden. Hij stapte op zijn tenen, voorzichtig, over drukke mierenwegen. Hij ademde de honing en de zon, zijn schouders gingen weer omhoog, zijn haar zat nog wilder in de krul dan anders, en hij vergat bijna hoe verschrikkelijk, verschrikkelijk gewoon hij was.

Toen hij vele zondoorstoofde dagen had gedanst, kwam hij bij een piepklein dorpje. Het was zó klein, dat een andere voorbijganger het misschien helemaal niet gezien zou hebben. Maar Frank, die altijd goed naar alle kleine dingen keek, bezorgd als hij was om iets te vertrappen, zag het meteen liggen: een groepje huizen, elk zo groot als een flinke appel, goed verscholen tussen een rots en een bloeiende braamstruik.
‘Oeps!’ zei hij, en hij bleef meteen stokstijf staan. Hij dacht: stel je voor dat een van die kleine mensen een kleine wandeling maakt, en dat ik daar met mijn grote voeten bovenop ga staan!

Zo stond hij daar nogal besluiteloos te staan, maar na een poosje kon hij zijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen. Hij ging voorzichtig op zijn hurken zitten en keek eens heel goed naar het dorp. Hij zag minuscule wasjes aan ragfijne waslijntjes wapperen. Hij zag een omgevallen kruiwagentje zo groot als de nagel van zijn pink. Hij zag dichte deurtjes en gesloten gordijntjes en hij snapte dat iedereen voor hem gevlucht was. ‘Joehoe!’ zei hij, heel zachtjes. ‘Kom maar naar buiten, hoor, ik doe jullie echt geen kwaad!’ Een paar seconden gebeurde er helemaal niets, maar toen ging in één van de huisjes het deurtje open, en stak een bijzonder klein mannetje zijn hoofd naar buiten. ‘Hallo,’ zei Frank. ‘Ik heet Frank.’
Hoi,’ zei het kleine mannetje. ‘Ik heet ook Frank.’ Ze keken elkaar een poosje aan, met de zon op hun grote krullen en hun kleine krullen, en de lucht in hun grote blauwe ogen en hun kleine blauwe ogen.
Wat ben jij verschrikkelijk, verschrikkelijk groot!‘ zei Frank.
‘Ja, sorry,’ zuchtte Frank.
Sorry?‘ piepte Frank, ‘Het is geweldig! Vind je het niet geweldig om zo anders te zijn? Neem mij nou: ik ben niet erg groot, maar ook niet bijzonder klein. Ik ben zo vreselijk, vreselijk gewoon!’
‘Maar je bént helemaal niet gewoon,’ zei Frank. ‘Je bent heel leuk en heel klein en heel bijzonder! Ik heb nog nooit iemand gezien die zo bijzonder was!’

Daar moesten Frank en Frank allebei even over nadenken.
Jij weet vast een heleboel dingen die ik niet weet,‘ zei Frank na een poosje. ‘Je kunt me vertellen hoe de hemel er van dichtbij uitziet, en hoe het is aan de andere kant van deze berg. Je kunt me vertellen of dit bos echt eindeloos is en hoe het komt dat er soms donkerpaarse vruchten uit de lucht vallen.
‘Dat is waar,’ zei Frank, ‘En jij kunt me vertellen hoe het zonlicht door een klaverblaadje schijnt en welk liedje een bladluis neuriet in het maanlicht.’ En dus begonnen ze elkaar van alles te vertellen. Ze praatten en praatten, en na een poosje kwamen alle kleine mensen tevoorschijn om mee te praten en mee te luisteren.

Nadat ze alles en alles en alles gezegd hadden, stond Frank heel voorzichtig op.
‘Nou,’ zei hij, ‘ik moet weer verder!’
Wat jammer,‘ zei Frank. ‘Het ga je goed! Het is fijn om te weten dat er zulke bijzondere, zo heel ongewone mensen zijn!
‘Dat wou ik nou net zeggen,’ zei Frank.


De volle maan kwam juist op en fladderende vleermuizen hapten insecten uit de lucht. De wind was nog steeds warm en een beekje danste zwart en zilver van hier naar daar, van kiezel naar kiezel, en Frank danste mee. Een overvliegende uil werd even afgeleid door dat huppelende dier, veel te groot om te vangen, dat daar met maanbeschenen krullen langs het water sprong.

Toen hij vele zilverbespatte nachten had gedanst kwam hij bij een reusachtig dorp. Het was zó groot, dat een andere voorbijganger het misschien helemaal niet gezien zou hebben. Maar Frank, die altijd goed naar het landschap keek, wist meteen dat wat hij zag geen uitlopers waren van het gebergte in de verte, maar een groep huizen, elk zo groot als een flinke heuvel.
‘Oeps!’ zei hij, en hij bleef meteen stokstijf staan. Hij dacht: stel je voor dat een van die grote mensen met zijn grote voeten een wandeling maakt, en dat ik daar met mijn kleine lichaampje onder kom!

Zo stond hij daar nogal besluiteloos te staan. Na een poosje hoorde hij een geweldig geruis en een schaduw als van een berg viel over hem heen. Frank slikte even.
‘Hallo,’ zei hij toen. ‘Ik heet Frank.’
Hoi,‘ zei de grote man. ‘Ik heet ook Frank.‘ Ze keken elkaar een poosje aan, met de zon op hun kleine krullen en hun grote krullen, en de lucht in hun kleine blauwe ogen en hun grote blauwe ogen.
Wat ben jij verschrikkelijk, verschrikkelijk klein!‘ zei Frank.
‘Ja, sorry,’ zuchtte Frank.
Sorry?‘ bulderde Frank, ‘Het is geweldig! Vind je het niet geweldig om zo anders te zijn? Neem mij nou: ik ben niet erg groot, maar ook niet bijzonder klein. Ik ben zo vreselijk, vreselijk gewoon!
‘Maar je bent helemaal niet gewoon,’ zei Frank. ‘Je bent heel leuk en heel groot en heel bijzonder! Ik heb nog nooit iemand gezien die zo bijzonder was! Nou ja, één keer dan.’

Daar moesten Frank en Frank allebei even over nadenken.
Jij weet vast een heleboel dingen die ik niet weet,‘ zei Frank na een poosje. ‘Je kunt me vertellen hoe het zonlicht door de kruin van een kastanjeboom schijnt en welk liedje een spitsmuis neuriet in het maanlicht.
‘Dat is waar,’ zei Frank, ‘En jij kunt me vertellen hoe de hemel er van dichtbij uitziet, en hoe het is aan de andere kant van de bergen. Je kunt me vertellen of deze wereld echt eindeloos is en hoe het komt dat er soms stenen uit de lucht vallen.’ En dus begonnen ze elkaar van alles te vertellen. Ze praatten en praatten, en na een poosje kwamen alle grote mensen tevoorschijn om mee te praten en mee te luisteren.

Nadat ze alles en alles en alles gezegd hadden, stond Frank op.
‘Nou,’ zei hij, ‘ik moet weer verder!’
Wat jammer,‘ zei Frank. ‘Het ga je goed! Het is fijn om te weten dat er zulke bijzondere, zo heel ongewone mensen zijn!
‘Dat wou ik nou net zeggen,’ zei Frank.


De zon begon juist door de ochtendmist te schijnen. De heuvels en de bergtoppen in de verte leken te drijven op een stil en betoverd meer. Het was windstil en je hoorde bijna niets, behalve het geneurie van het beekje en van een late spitsmuis en, als je goed luisterde, heel, heel misschien zelfs het liedje van een bladluis. De lucht werd roze en blauw en kleine schapenwolkjes huppelden ver boven de wereld. En Frank danste mee en maakte zo zijn eigen wind, die naar gras rook en naar water, en die zelfs het steilste haar nog in de krul zou laten schieten.

Toen hij vele nevelige ochtenden had gedanst kwam hij bij een dorp. Het was zó gewoon, dat een andere voorbijganger het misschien helemaal niet gezien zou hebben. Maar Frank, die altijd goed naar alle gewone dingen keek omdat hij ze zo bijzonder vond, zag meteen dat het zijn eigen dorp was, waar hij vele zondoorstoofde dagen en vele zilverbespatte nachten en vele nevelige ochtenden geleden uit vertrokken was.
‘Oeps!’ zei hij, en hij bleef meteen stokstijf staan. Hij dacht: stel je voor dat een van die gewone mensen een wandeling maakt en mij ziet, dan roept hij natuurlijk al onze dorpsgenoten en dan zullen ze denken: daar heb je die gewone, verschrikkelijk gewone Frank weer, die niet erg groot is en ook niet bijzonder klein, maar zo net er tussenin.

Zo stond hij daar nogal besluiteloos te staan. Na een poosje kwam er iemand aangelopen.
‘Hoi, Frank!’ zei hij. ‘Blij dat je terug bent. Het was heel saai zonder jou.’
‘Saai?’ zei Frank, ‘Zonder mij? Maar ben ik dan niet verschrikkelijk, verschrikkelijk gewoon?’
‘Helemaal niet,’ zei de ander, ‘Jij kijkt altijd zo heel speciaal naar alle dingen, zodat ze zo heel bijzonder worden. En je kunt er zó leuk over vertellen, dat het lijkt of alles nieuw is. En zoals jij huppelt en springt, huppelt en springt er niemand anders.’
‘Is het heus?’ vroeg Frank.
‘Het is heus!’ zei zijn dorpsgenoot. Daarna kwamen alle andere gewone mensen naar buiten om mee te praten en vooral mee te luisteren naar alles wat Frank beleefd had.

En hij vertelde hoe de zon scheen en de vogeltjes zongen en hoe de warme wind uit de heuvels rook naar honing. Hoe de groene velden bestippeld waren met het rood van duizenden klaprozen. Hoe de oude bomen schaduwspikkels over de paden strooiden. Hoe ijverig de mieren heen en weer renden over hun drukke mierenwegen. Hoe het zonlicht door een klaverblaadje schijnt en welk liedje een bladluis neuriet in het maanlicht. Hij vertelde hoe de volle maan rond en rood opkwam en hoe fladderende vleermuizen insecten uit de lucht hapten. Hoe een beekje zwart en zilver van hier naar daar, van kiezel naar kiezel danste en hoe een overvliegende uil even werd afgeleid door een huppelend dier, veel te groot om te vangen, dat met maanbeschenen krullen langs het water sprong. Hij vertelde hoe de hemel er van dichtbij uitziet, en hoe het is aan de andere kant van de bergen. Hij vertelde dat deze wereld echt eindeloos is, maar toch ook niet, en hoe het komt dat er soms stenen uit de lucht vallen. Hoe de zon door de ochtendmist scheen en hoe de heuvels en de bergtoppen in de verte leken te drijven op een stil en betoverd meer. Hoe je in de windstilte bijna niets kon horen behalve het geneurie van een beekje en van een late spitsmuis en, als je goed luisterde, heel, heel misschien zelfs het liedje van een bladluis. Hoe de lucht roze werd en blauw en hoe kleine schapenwolkjes ver boven de wereld huppelden. En hoe je door te dansen je eigen wind kon maken, die naar gras rook en naar water, en die zelfs het steilste haar nog in de krul zou laten schieten.

Hij vertelde en vertelde en vertelde, en er was zó veel te vertellen dat hij nooit, zijn hele lange leven lang, alles en alles en alles zou kunnen vertellen. En iedereen luisterde en luisterde en luisterde, en keek naar de zon op zijn krullen en de lucht in zijn ogen.

En als hij even ophield met vertellen, dan danste hij. Hij was niet erg groot, maar ook niet bijzonder klein. Hij heette Frank, en hij was verschrikkelijk, verschrikkelijk bijzonder.

 


Categorie: