05/07

De wensboom

‘Dat is de mooiste wens van allemaal. En hij is prachtig uitgekomen!’

Kleine Grote Man vond het maar wát spannend. Zijn hele stam was in rep en roer. Slimme Bever had tijdens de jacht drie vreemde mensen gevonden. Ze konden niet rechtop zitten, en hun ogen waren dicht, zei hij. Hij was teruggekomen om twee andere krijgers te halen, en nu brachten ze de mensen naar het dorp, op sleden van hout en bizonhuid die elk door een paard werden voortgetrokken.

De mannen legden de vreemde mensen in de grote ruimte midden tussen de tipi’s. Kleine Grote Man wurmde zich naar voren tussen zijn stamgenoten, en… zijn adem stokte. Hij staarde en staarde. Zulke rare wezens had hij nog nooit gezien! Grijze Wolf, de medicijnman, voelde aan hun voorhoofd en wangen, en zei dat ze heel, heel ziek waren. Nou, dat geloofde Kleine Grote Man meteen! Hij had nog nooit zulke bleke gezichten gezien! En met hun haar was ook iets goed mis: het was helemaal geel. Behalve dat van de kleinste. Dat had de kleur van de ondergaande zon. Als je niet beter wist, zou je denken dat het een heel bleek jongetje was met brandend haar. Kleine Grote Man moest erom lachen. Maar zijn moeder vond het maar niks: ze duwde hem naar achteren, weg van die rare mensen… Mensen? Misschien waren het wel geesten!

Kleine Grote Man verveelde zich. Nu hij niet meer naar de Bleke Geesten mocht kijken, wist hij niet wat hij moest doen. Zijn vriendjes stonden zich nog te vergapen; hun moeders waren niet zo streng. Weet je wat, dacht Kleine Grote Man, ik ga op onderzoek uit. Misschien ontdek ik zo wel het raadsel van die vreemde wezens.

Kleine Grote Man liep door een stuk bos waar hij wel vaker kwam. Het was lente. De zon scheen, de vogeltjes zongen en de bomen kregen nieuwe, lichte blaadjes. Maar Kleine Grote Man vond het nu toch een beetje griezelig om helemaal alleen op stap te zijn. Wie weet, lagen er nog meer Bleke Geesten verscholen tussen de struiken. Elke keer als er iets ritselde of kraakte, maakte Kleine Grote Man bijna een sprongetje van schrik. Maar hij zei tegen zichzelf: ‘Ik ben heel dapper.’ En dus liep hij door.

Na een poosje kwam hij op een ronde open plek. In het midden stond een boom. Wat raar! Hij wist zeker dat daar gisteren nog helemaal niets stond! Het was bovendien een beetje rare boom: hij was nog helemaal kaal, en zijn takken hadden een vreemde glans.

‘Dag, Kleine Grote Man!’ zei een stem. Nu maakte Kleine Grote Man écht een sprongetje van schrik. Wat zag hij nou onder de boom? Het leek wel een rookwolk! Kleine Grote Man wreef in zijn ogen, en toen hij weer keek, zag hij een stokoude man tegen de stam zitten.

Vreemd genoeg was Kleine Grote Man ineens niet bang meer. ‘Wie bent u?’ vroeg hij. ‘En hoe weet u mijn naam?’

‘Ik ben de geest van deze boom,’ zei de oude man. ‘En ik weet bijna alles. Bijvoorbeeld dat jij heel graag net zo groot wilt worden als je vader, maar dat je dan eerst nog een beetje moet groeien. Dus is het logisch dat je Kleine Grote Man heet, vind je niet?’

Kleine Grote Man wist niet precies of hij dit een goed antwoord vond, maar de oude man zag er heel wijs uit, dus hij knikte maar eens voorzichtig.

‘Wat is dat voor een boom?’ vroeg hij.

‘Dit is een wensboom,’ zei de Boomgeest. ‘Als je iets heel, heel, héél erg graag wilt, kun je het zachtjes aan deze boom vertellen, en dan gebeuren er bijzondere dingen. Maar je moet wel eerst goed nadenken voordat je een wens doet. Denk je dat je dat kunt?’

‘Ik weet het wel zeker!’ zei Kleine Grote Man, en hij stak zijn borst dapper vooruit.

‘Dat is goed. Ga dan nu maar naar huis om na te denken, en kom morgen terug om je wens aan de boom te vertellen.’


Kleine Grote Man dacht dat hij die nacht geen oog dicht zou doen. Hij had zó veel om over na te denken: de Bleke Wezens en de vreemde boom, de Boomgeest, het jongetje met het brandende haar en de wens die hij ging doen. Maar hij was ook wel erg moe, en na een poosje viel hij toch in slaap.


De volgende dag ging hij terug naar de open plek in het bosje. Hij dacht: misschien heb ik het allemaal maar gedroomd! Maar nee hoor: daar stond de glanzende, kale boom nog precies zoals de vorige dag. Alleen de Boomgeest was er niet.

Kleine Grote Man ging vlak bij de boom staan. Hij fluisterde heel zacht tegen de kale stam: ‘Ik wens dat ik een groot krijger word!’

Ineens hoorde hij geritsel, en kriebelde er iets tegen zijn oor. Hij deed snel een stap achteruit. En toen zag hij dat er aan de wensboom één prachtig blad groeide. Er stonden rare tekentjes op. ‘Ik denk dat dat mijn wens is,’ zei Kleine Grote Man bij zichzelf. En de bomen om hem heen ruisten, alsof ze het helemaal met hem eens waren.


Je snapt dat Kleine Grote Man elke dag naar de wensboom ging kijken. Maar er gebeurde helemaal niets. Het ene blad bewoog zachtjes in de wind, en dat was alles. Dat vond Kleine Grote Man wel een beetje jammer.


In het dorp ging het niet goed. Veel mensen dachten dat de Bleke Geesten slecht waren. Ze gaven hun de schuld van alles wat mis ging. Als iemand de maïskoeken liet aanbranden, of als er iets kwijtraakte, dan zeiden ze: ‘Zie je wel, dat komt door die boze geesten! We moeten ze wegsturen!’ ‘Nee!’ zeiden anderen. ‘We moeten ze te vriend houden! Misschien zijn ze dan aardig voor ons.’ En weer anderen zeiden: ‘Het zijn helemaal geen geesten. Het zijn gewoon mensen, net als wij!’ En zo maakten de stamleden de hele dag ruzie. Kleine Grote Man werd er bedroefd van.

Maar hij vond nog veel erger dat het dochtertje van Dikke Vlinder zo ziek was. Dat was nu al maanden zo. Zelfs Grijze Wolf wist er geen raad mee; hij had van alles geprobeerd om haar beter te maken, maar het lukte niet.

Weet je wat, dacht Kleine Grote Man, ik ga Dikke Vlinder vertellen over de wensboom. Misschien kan die haar helpen. En zo kwam het dat Dikke Vlinder een paar uur later iets tegen de boom fluisterde. Toen had de boom twee bladeren.


Op een avond, toen Kleine Grote Man al in bed lag, hoorde hij zijn vader – Grote Man – voor de tipi met het opperhoofd praten. Het opperhoofd, Sterke Bizon, zei: ‘Ik maak me zorgen over onze stamgenoten. Vroeger ging het zo goed, maar in plaats van elkaar te helpen, maken ze nu de hele dag ruzie over de Bleke Geesten. Ik weet niet wat ik moet beginnen.’ Zal ik hem ook over de wensboom vertellen? dacht Kleine Grote Man.


Kleine Grote Man merkte dat iederéén wel een grote wens had. Dikke Vlinder wilde dat haar dochtertje beter werd. Het opperhoofd dacht: wat zou ik blij zijn als de mensen ophielden met ruzie maken. Slimme Bever wilde graag dat Lachende Vogel hem aardig vond. En Lachende Vogel hoopte dat Slimme Bever zag hoe mooi ze kon weven!

En omdat Kleine Grote Man zo graag wilde dat zijn vrienden gelukkig waren, vertelde hij hun allemaal, één voor één, over de wensboom.

Er kwamen steeds meer blaadjes aan de boom. Maar verder gebeurde er helemaal…


… niets.


Op een dag ging Kleine Grote Man vissen in de rivier. Hij zat ingespannen naar het water te turen, toen er ineens iets met een grote plons in viel. Het was het geestjongetje met het brandende haar!

De Bleke Wezens waren allang weer beter. Ze liepen en aten en dronken, maar ze zagen er nog steeds heel ziek uit. Ze waren nog even bleek, en ze hadden nog steeds geel haar. Behalve het jongetje dat nu in de rivier spartelde. Zijn haar brandde nog net zo fel als eerst.

Brandend Haar was achter Kleine Grote Man aangelopen en had zich verstopt in de struiken. Om beter te kunnen kijken, had hij zich iets te ver voorovergebogen. En nu was hij in het water gevallen!

Kleine Grote Man kreeg de slappe lach. Hij hielp het jongetje op de kant. Hij dacht: volgens mij is het een gewoon jongetje. Hij is alleen wat raar gekleurd. ‘Dag Brandend Haar!’ zei hij. ‘Ik ben Kleine Grote Man!’ Het jongetje zei iets terug, maar Kleine Grote Man verstond hem niet. Dat was wel een probleem. Weet je wat, dacht Kleine Grote Man, ik leer hem gewoon vissen! Daar hoef je helemaal niet voor te praten.

En zo zaten Kleine Grote Man en Brandend Haar de hele middag samen te vissen. Na een poosje wees Kleine Grote Man op een vis en zei: ‘Vis’ in zijn eigen taal. En Brandend Haar, die thuis Willem heette, zei ‘Vis’ in het Nederlands. Het duurt heel lang voordat je een andere taal spreekt, maar het was een begin.

En zo werden Kleine Grote Man en Brandend Haar dikke vrienden.


Dikke Vlinder was zó verdrietig om haar zieke dochtertje, dat ze niet meer wist wat ze moest doen. Ze wilde alles proberen om haar beter te maken! Ze dacht: ik breng mijn dochtertje naar die Bleke Geesten. Misschien kunnen zij me helpen!

De Bleke Geesten keken ernstig. Ze voelden aan de pols van het meisje, ze keken in haar keel, en ze maakten een geluid dat klonk als: ‘Tut, tut, tut!’ Toen gaven ze Dikke Vlinder een medicijn, en ze lieten zien hoeveel ze aan haar dochtertje moest geven. Na een week was het kleine meisje veel beter. Ze was nog zwak, maar dat kwam wel weer goed.


Slimme Bever dacht: nu ik mijn wens aan de boom verteld heb, komt het vast goed! Daarom durfde hij zomaar aan Lachende Vogel te vragen of ze met hem ging wandelen. En Lachende Vogel dacht: nu ik mijn wens aan de boom verteld heb, komt het vast goed! En daarom ging ze mee.

Ze ontdekten dat ze verschrikkelijk verliefd waren op elkaar.


Op een nacht begon het vreselijk te stormen. Iedereen werd er wakker van, behalve Snurkende Beer. Ze dachten: als de wensboom maar niet omwaait! En al was het donker, ze renden met z’n allen naar de plek waar hij stond: de Mensen, de Bleke Geesten, en zelfs Snurkende Beer, want die hadden ze wakker geschud.

‘We moeten de boom tegen de wind beschermen!’ zei Sterke Bizon. ‘Want hij is van ons allemaal!’ Daarom hielden ze de boom vast tot de zon opkwam en de storm ging liggen. De lucht was stralend blauw, alsof er nooit een storm was geweest.

Daar stonden ze, moe en stil, om de boom heen, de Mensen en de Bleke Geesten. De vogels begonnen voorzichtig te zingen. Het gras werd warm van de zon. Ineens kwam er een windvlaag, die bijna alle blaadjes van de boom meenam en hoog de lucht in blies. Er zaten nu nog maar zes blaadjes aan de takken.

‘Oooo!’ riepen ze in koor. En toen nog eens: ‘Oooo!’ Want onder de boom verscheen iets wat op een rookwolk leek, en even later zat daar de oude man, de geest van de wensboom. Kleine Grote Man dacht: behalve ik heeft niemand hem nog gezien. Hij voelde zich een beetje trots.

De Boomgeest zei: ‘Kleine Grote Man, alle wensen zijn vervuld. Het is tijd dat ik vertrek.’ Hij wees naar de zes bladeren. ‘Kijk! Deze wensen heb ik nog even bewaard omdat ze zo bijzonder zijn. Dikke Vlinder wilde zó graag dat haar dochtertje beter werd, dat ze de Bleke Geesten durfde te vertrouwen. En nu is haar wens uitgekomen!’ Een blad maakte zich los van de boom, en zweefde weg. De Boomgeest ging verder: ‘Slimme Bever en Lachende Vogel waren al lang verliefd op elkaar, maar dat durfden ze pas te bekennen nadat ze het tegen de boom gezegd hadden. Nu zijn hun wensen uitgekomen!’ En daar buitelden twee bladeren de lucht in.

‘Sterke Bizon wilde dat jullie geen ruzie meer zouden maken over de Bleke Geesten,’ zei de Boomgeest. ‘En toen de boom bijna weggeblazen werd door de storm, heeft hij jullie gevraagd om hem samen te beschermen. Als je iets samen doet, heb je geen ruzie meer. Zijn wens is uitgekomen!’

Nu zaten er nog maar twee bladeren aan de boom.

‘Brandend Haar wenste dat hij een vriendje had om mee te spelen,’ zei de Boomgeest.
‘Brandend Haar?’ stotterde Kleine Grote Man. ‘Hoe wist hij dat dit een wensboom is? Ik wilde het hem wel vertellen, maar hij begreep niet wat ik zei!’
‘H’m…’ zei de Boomgeest. ‘Misschien ben jij niet de enige die al eens met me gepraat heeft. En misschien maakt het voor mij niet uit welke taal iemand spreekt.’

Kleine Grote Man keek een beetje bedremmeld.

‘Jij bent nu zijn beste vriend,’ zei de geest. ‘En dus is zijn wens ook vervuld.’

Het een-na-laatste blad, dat net zo rood was als de krullen van Brandend Haar, werd draaiend en huppelend meegevoerd door een windvlaag.

‘Zo!’ zei de geest. ‘Dat was het dan!’

Kleine Grote Man wist niet wat hij moest denken. Hij was heel blij voor alle anderen, omdat hun wensen waren uitgekomen. Maar hij was óók heel teleurgesteld. Zijn blad hing nog steeds aan de boom.

‘Maar ik dan?’ piepte hij. ‘Waarom is mijn wens niet uitgekomen?’
‘O, jouw wens,’ zei de Boomgeest. ‘Even kijken, wat was die ook alweer?’
‘Ik wil een groot krijger worden,’ zei Kleine Grote Man. Maar ineens schaamde hij zich een beetje. Was dat niet een kinderachtige wens?
‘Ach ja!’ zei de Boomgeest. ‘Dat is waar ook. Dat is de mooiste wens van allemaal. En hij is prachtig uitgekomen!’

Kleine Grote Man snapte er niets van. Grote krijgers waren stoere mannen die op bizons jaagden en paarden temden. En ook al ging hij op zijn tenen staan en blies hij zijn spierballen op, hij was toch echt nog geen groot krijger.

‘Jullie moeten goed weten,’ zei de Boomgeest, ‘dat elke wens een achterkant heeft. Kijk maar!’ Hij draaide het blad van Kleine Grote Man om. Met zijn vinger wees hij de rare tekentjes aan die achterop stonden. ‘Hier staat: OM EEN GROTE KRIJGER TE WORDEN, MOET JE EERST EEN GROTE GEVER ZIJN. En Kleine Grote Man is de grootste gever van allemaal. Hij heeft zijn vriendschap gegeven aan Brandend Haar, hij heeft zijn medelijden gegeven aan Dikke Vlinder en hij heeft de wensboom gedeeld met jullie allemaal! En zonder dat hij het merkte, heeft hij er veel voor teruggekregen: vriendschap en een dorp vol vrolijke en gelukkige mensen. En dus, Kleine Grote Man,’ zei de Boomgeest, ‘ben je nu een groot krijger!’

Kleine Grote Man was even een beetje teleurgesteld. Dat had hij helemaal niet bedoeld toen hij zijn wens aan de boom vertelde. Maar toen zag hij de gelukkige gezichten van zijn stamgenoten en van de Bleke Mensen, en vooral van Brandend Haar. Zijn vader en moeder keken heel trots, en Sterke Bizon gaf hem een klopje op zijn schouder. Slimme Bever grijnsde naar hem, en Zingende Vogel bloosde.

Kleine Grote Man ging fier rechtop staan. ‘Ja,’ zei hij. ‘Mijn wens is uitgekomen!’

Toen dwarrelde zijn blad van de boom. Het huppelde door de lucht en verdween met een vaartje naar de zon. Iedereen zuchtte.

‘Goed,’ zei de Boomgeest. ‘Dan is het nu tijd om te gaan. Maar onthoud drie dingen. Soms komt een wens anders uit dan je had gedacht. Dat is één.’

De Boomgeest en de boom werden een beetje vaag.

‘Als je iets wilt, moet je zelf heel hard werken om dat te bereiken. Een wensboom helpt je wel, maar hij kan niet toveren. Dat is twee.’

De Boomgeest en de wensboom waren nu bijna verdwenen. Kleine Grote Man slikte. Hij dacht: wat zal ik ze missen, de boom en die rare, wijze Boomgeest!

‘En waar je ook bent,’ klonk de stem van de Boomgeest, ‘wat je ook doet, er is altijd een wensboom bij je in de buurt. Ook al is die misschien onzichtbaar. Dat is drie!’

Toen waren de wensboom en de oude geest verdwenen.

Verdwenen?

Welnee! Ze waren gewoon onzichtbaar.


 


Categorie: