31/05

De kikkerprinses (variatie op een thema)

Prinsen met mantels van zwart fluweel, behangen met turkooizen.

In een land niet ver hier vandaan leefde eens een prinses. Hoewel haar vader koning was en haar moeder koningin, en ze met z’n drieën in een bijzonder koninklijk paleis woonden, hadden de mensen er lang aan getwijfeld of ze wel een echte prinses was. Haar taalgebruik was niet altijd even keurig en haar manieren lieten wel eens te wensen over. Het liefst rende ze met opgeschorte rokken door de koninklijke tuinen. Ze plonsde regelmatig in de slotgracht als ze haar evenwicht verloor bij het bestuderen van een nest waterhoentjes of de koninklijke stekelbaarsjes. Ze zat maar al te vaak onder de modder en het kroos. Gelukkig had ze vriendschap gesloten met de staljongen, de koks en de kamermeisjes, die haar regelmatig via één van de achtenzeventig achterdeuren het paleis binnenlieten en zorgden dat ze er weer als een echte prinses uitzag voor een officieel diner, een koninklijke wuifsessie op het balkon of een ontmoeting met doodsaaie, maar o zo belangrijke mensen.

De koning en de koningin maakten zich zorgen om het gedrag van hun dochter. Daarom besloten ze op een dag voor ééns en voor altijd vast te stellen of zij een echte prinses was. Je weet wel hoe dat gaat: ze legden haar te slapen op een dozijn van de allerzachtste, allerdonzigste matrassen die er te vinden waren en onder de onderste matras legden ze een erwt. Wat zij niet wisten, is dat je daarvoor een erwtje uit een prinsessenboon moet nemen. En zo gebruikten ze de eerste de beste erwt die ze konden vinden: een kikkererwt.

De volgende dag was de prinses bont en blauw.
‘Ik heb geen oog dichtgedaan,’ zei ze. ‘Ik heb de hele nacht liggen woelen vanwege die vreselijke hobbels en bobbels in mijn bed!’ En daarmee was vastgesteld dat de prinses een echte prinses was. Het volk juichte en de koning en de koningin pinkten een traan weg. Maar het leven van de prinses was voorgoed veranderd. Haar blauwe plekken bleven, en zij deed nog maar zelden een oog dicht. Zo gaat dat met echte prinsessen: als ze eenmaal op een erwt geslapen hebben, of hun vinger geprikt hebben aan een spinnewiel, of een hap hebben genomen uit een vergiftigde appel, dan blijven ze hun leven lang lijden aan blauwe plekken, een zere vinger of een pijnlijke keel. Maar dat kan verder niemand iets schelen.


Toen de prinses de huwbare leeftijd bereikt had, vroeg haar vader een prins uit een naburig land op de thee. De prins was prachtig: jong en rijzig en zo sterk en soepel als een strijdboog. Zijn ogen waren donker als wilde kastanjes en zijn krullen glansden als zwarte zijde. Zijn tuniek was van rood fluweel en zijn paard zo wit als pas gevallen sneeuw.

‘Kom, dochter,’ zei de koning, toen de thee en de aardbeientaartjes op waren, ‘laat de prins de paleistuinen maar eens zien.’ En zo kwam het dat de prins en de prinses op een mooie zomernamiddag tussen de rozenstruiken belandden. De prins keek met zijn donkere ogen in haar lichte ogen. Niet dat hij haar leuk vond, of mooi, maar tja, ze was een echte prinses en haar vader regeerde een groot rijk, dus hij was bereid haar blauwe plekken en haar vreemde gedrag voor lief te nemen.
En dus zei hij: ‘Lieve prinses, ik hou van je.’
‘O ja?’ zei de prinses. Ze snapte niet helemaal wat hij bedoelde en eerlijk gezegd was ze niet erg onder de indruk van zijn prinselijke uiterlijk en gedrag. Ze vroeg zich af hoe het met de stekelbaarsjes ging.
‘Ik wil dat je me kust,’ zei de prins.
‘Nou, vooruit dan maar,’ zei de prinses, en ze deed haar ogen dicht en zoende hem. En doordat ze ooit een nacht op een kikkererwt had geslapen, veranderde de prins, zodra haar lippen de zijne raakten, in een prachtige, rode kikker met ogen die donker waren als wilde kastanjes en een huid die glansde als zijde.

De prinses vond de kikker eigenlijk veel leuker dan de prins. Ze pakte hem voorzichtig op en bracht hem naar de hofvijver. Daarna ging ze de stekelbaarsjes bekijken. Toen ze later aan tafel zat, met nog een klein beetje kroos in haar krullen, vroeg de koning: ‘Waar is de prins gebleven?’
‘Geen idee, papa,’ zei de prinses. ‘Hij was ineens weg.’ Niemand begreep er iets van, en de stalknecht begreep het nog het minste, want welke prins laat nu zomaar zijn paard achter?


Gelukkig waren er veel buurlanden met prinsen, en de koning nodigde ze één voor één uit. Er kwamen prinsen uit het zuiden die zo zwart waren als ebbenhout, met purperen tulbanden en mantels van karmozijn. Ze droegen goud in hun oren, op hun voorhoofd en om hun polsen en enkels. Er kwamen prinsen uit het noorden die roze en blank waren als de dageraad. Hun lange haren lichtten op als koper en hun blauwgrijze ogen keken zo ver als de zee. Er kwamen prinsen uit het oosten die kleurig waren als vlinders. Hun lichtbruine huid was warm als de zon en hun gouden ogen verborgen vreemde geheimen. Er kwamen prinsen uit het westen, beladen met edelstenen en kostbare stoffen. Er kwamen grote prinsen en kleine prinsen, jonge prinsen en oude prinsen, prinsen op witte paarden, op zwarte paarden, op zilvergrijze paarden die glansden als het maanlicht, op bruine paarden, op kamelen en olifanten.

En de prinses kuste ze allemaal.


Na een poosje deed niemand meer een oog dicht in het paleis. De kikkers in de hofvijver kwaakten dag en nacht, zó luid dat horen en zien je vergingen. Er leefden daar rode kikkers en purperen kikkers, kikkers met groene ogen en kikkers met gouden ogen, kikkers met smaragdgroene vlekken op een huid van zilver en kikkers met Pruisisch blauwe strepen op een ondergrond van lapis lazuli. Er leefden daar grote kikkers en kleine kikkers, jonge kikkers en oude kikkers, en ze kwaakten allemaal alsof ze iets wilden zeggen. Maar niemand wist wát. Behalve – misschien – de prinses.

De staljongen kreeg het steeds drukker. De koninklijke stallen puilden uit van de witte paarden en de zwarte paarden, van zilvergrijze paarden die glansden als het maanlicht, van kastanjebruine paarden, van kamelen en olifanten. Maar omdat de koning en de koningin nooit vriendschap hadden gesloten met de staljongen, kwamen ze niets te weten over al die achtergelaten rijdieren.

Ze vroegen zich bezorgd af wat er mis was met hun dochter, die blijkbaar niet in staat was het hart, of dan tenminste toch de hand, van een prins te stelen. Maar de prinses leek zich niets aan te trekken van al die verdwenen koningszonen. En soms, als ze toch niet kon slapen vanwege haar blauwe plekken, ging ze ‘s nachts op de rand van de hofvijver zitten om te luisteren naar het gekwaak van de kikkers. Het leek wel alsof de kikkers dan nóg meer lawaai maakten dan anders.


Op een dag, toen de prinses weer eens de stekelbaarsjes aan het bestuderen was, zag ze tussen de ondersteboven, rimpelende beelden van het riet aan de oever en de wolken in de lucht een ondersteboven, rimpelend gezicht verschijnen. Ze keek op, en viel bijna in het water. Aan de overkant van de gracht zat een jongeman op zijn knieën. Hij staarde haar met grote ogen aan.
‘Wat doe jij daar?’ vroeg de prinses. ‘En wie ben jij?’
‘Ik ben een prins,’ zei de jongeman. ‘En ik kijk naar de stekelbaarsjes. En jij?’
‘Ik ben een prinses,’ zei de prinses. ‘En ik kijk ook naar de stekelbaarsjes. Waarom heb jij geen paard?’
‘Bwah,’ zei de prins, ‘ik houd niet zo van paarden. Ik loop liever.’
‘En waarom draag je van die gewone kleren?’ vroeg de prinses.
‘Ach,’ zei de prins, ‘wat moet ik met zijde en bont en fluweel? Ik draag liever kleren die lekker zitten en die ik gewoon in de rivier kan wassen.’
‘En waarom draag je geen zilver en goud en edelstenen?’ vroeg de prinses.
‘Och,’ zei de prins, ‘dat gezeul. Dat is toch niets voor mij.’
‘Maar hoe weet je dan dat je een echte prins bent?’ vroeg de prinses.
‘Hou erover op!’ zei de prins. ‘Ze hebben me ooit op een stapel matrassen laten slapen, met helemaal onderop een erwt. Ik deed die nacht geen oog dicht, en sindsdien zit ik van top tot teen onder de blauwe plekken.’
‘Maar waarom ben je hier, in plaats van in je eigen koninkrijk?’ vroeg de prinses. ‘Moet je je niet voorbereiden op het koningschap?’
‘Ik wíl eigenlijk helemaal geen prins zijn,’ zei de prins. ‘Ik zwerf liever rond om de wereld te bekijken. Dus ben ik weggelopen uit het paleis van mijn vader.’
‘Wat goed!’ zei de prinses. ‘Ik wil eigenlijk geen prinses zijn, maar aan weglopen heb ik nog niet gedacht. Heb je geen zin om naar de overkant te komen? Dan zal ik aardbeientaartjes voor je halen uit de keuken. Je zult wel honger hebben.’

En zo kwam het dat de prins en de prinses even later in een geheim hoekje van de paleistuin samen aardbeientaartjes zaten te eten. De prinses keek eens goed naar de prins.
‘Zeg, prins,’ zei ze na een poosje. ‘Ik vind jou wel leuk.’
‘Hoe kom je d’r bij,’ zei de prins, met zijn mond vol aardbeientaart. ‘Heb je me wel eens goed bekeken?’
‘Jawel,’ zei de prinses. Ze keek naar zijn ietwat uitpuilende ogen, zijn gladde huid die een héél klein beetje groenig glansde, zijn brede mond en zijn korte vingers.
‘Nou ja,’ zei de prins. ‘Ik vind jou in ieder geval ook heel leuk.’
‘Maar ik zit onder de blauwe plekken,’ zei de prinses.
‘Kan me niks schelen,’ zei de prins. ‘Ik toch ook?’


Toen ze alle taartjes opgegeten hadden, en de schaduwen langer en langer werden, zei de prins: ‘Lieve prinses, ik hou van je.’
‘O ja?’ zei de prinses een beetje bibberig. Ze snapte precies wat hij bedoelde, en ze vroeg zich geen seconde af hoe het met de stekelbaarsjes ging.
‘Ik wil dat je me kust,’ zei de prins. Hij zei hetzelfde als alle andere prinsen, maar de manier waarop hij het zei was heel, heel anders.
‘Ik denk er niet aan!’ riep de prinses verschrikt, terwijl ze een stukje achteruit schuifelde.
‘Waarom?’ vroeg de prins. ‘Vind je me dan toch niet leuk?’
‘Jawel, jawel!’ zei de prinses. ‘Maar dat is het ‘m nou juist! Zodra ik je kus, zal je in een kikker veranderen, en dan kunnen we nooit meer samen naar de stekelbaarsjes kijken, of aardbeientaartjes eten op een geheim plekje in de tuin!’

Ze zaten samen een hele poos doodstil voor zich uit te staren. Er biggelden grote tranen over de wangen van de prinses en de lippen van de prins trilden verdacht.

‘Toe?’ zei de prins na een poosje.
‘Nee, nee, nee!’ zuchtte de prinses. ‘Het kan echt niet. Hoor je al die kikkers niet kwaken in de hofvijver? Dat zijn allemaal prinsen geweest! Het komt doordat ze onder mijn matrassen een kikkererwt hebben gelegd in plaats van een erwtje uit een prinsessenboon!’
‘Maar kun je me dan niet op mijn wang kussen?’ vroeg de prins.
‘Nee, ach, nee!’ zei de prinses. ‘Je zult zien dat je dan ook in een kikker verandert!’
‘Op mijn hand?’ vroeg de prins.
‘Nee, nee!’ zei de prinses, en ze snoot haar neus. ‘Hou toch op! Wat moet ik beginnen als je een kikker wordt?’
‘Op het topje van mijn pink?’ vroeg de prins. ‘Dat zal toch zeker geen kwaad kunnen?’

En zo gebeurde het dat de prinses voorzichtig een piepklein kusje gaf op het uiterste topje van de linker pink van de prins.


De volle maan stond al hoog aan de hemel, toen de prins en de prinses nog steeds ademloos naar de linker pink van de prins zaten te kijken.
‘Wat mooi!’ zuchtte de prinses. ‘Zie je wel hoe mooi groen hij is?’
‘Geweldig!’ zei de prins. ‘Ik wist niet dat er zulke mooie pinken bestonden!’
Na een poos drukte hij héél voorzichtig een kusje op de palm van haar hand.
‘Wat lief!’ zei hij daarna. ‘Zulke mooie zwemvliezen heb ik nog nooit gezien!’
‘Tjonge,’ fluisterde de prinses, ‘en ik dacht altijd dat ik van die gewone handen had!’
En daarna kusten de prins en de prinses elkaar de hele, lieve lange nacht op plekje voor plekje totdat ze in twee prachtige, prachtige en heel gelukkige kikkers veranderd waren.


Toen de staljongen de volgende ochtend vroeg opstond om al zijn dieren te gaan verzorgen, vond hij nog maar drie paarden in de stallen: het grote, grijze paard van de koning, het makke, bruine paard van de koningin en de gevlekte pony van de prinses.

Toen de wachter de volgende ochtend uit zijn raampje keek, zag hij dat de slotbrug was neergelaten, en dat de weg aan de overkant van de gracht bezaaid was met hoef- en pootafdrukken die in alle richtingen naar de horizon uitwaaierden.

Toen de koning en de koningin de volgende ochtend hun dochter niet aan de ontbijttafel vonden, maakten ze zich een beetje zorgen. De dagen daarop maakten ze zich nog veel meer zorgen. Maar na een poosje misten ze haar niet meer.

Toen de staljongen, de koks en de kamermeisjes de prinses nergens konden vinden, huilden ze tranen met tuiten. Ze riepen haar naam en ze zochten overal, maar niemand ontdekte ook maar het kleinste spoortje.

Iedereen in het paleis kon vanaf die dag weer gewoon slapen: alle kikkers waren uit de hofvijver verdwenen, en het was ‘s nachts zó stil dat je een rozenblad kon horen vallen.

Alle kikkers? Nee, tussen de waterlelies in de ronde vijver leefden twee gelukkige, groene kikkers, met zwemvliezen tussen hun korte vingertjes, met brede bekken en met ietwat uitpuilende ogen. Ze keken elkaar dag en nacht aan en vonden dat ze er prachtig uitzagen, zodat ze helemaal vergaten te kwaken. En op hun glanzende, gladde lijfjes was geen spoor meer te vinden van een blauwe plek.

 


Categorie: