17/05

De engelbewaarder

Buiten gooide hij de sleutel van zijn museum in de gracht. Hij zuchtte diep en trok de kraag van zijn jas tot over zijn oren.

Ooit, in een stad, leefde een man die helemaal in zijn eentje een eigen museum had ingericht op de zolder van een oud grachtenhuis. Hij noemde zichzelf ‘engelbewaarder’ en dat klopte heel aardig, want hij bewaarde allerlei dingen die met engelen te maken hadden. Dat deed hij al zo lang als hij zich kon herinneren.

Alles wat hij verzameld had, was keurig uitgestald en voorzien van een bordje, waarop in elegante letters stond geschreven wat dit of dat nu eigenlijk was en waar het vandaan kwam.
Zo kon je bij een glazen stopfles met een pluk zilverwit, donzig spul de volgende tekst lezen:

Engelenhaar
Gevonden in Hierendaar
Kerstmis anno zoveel

En bij een gedroogde lelie die tussen twee glazen platen was geklemd, stond dit:

Witte lelie
zoals de aartsengel Gabriël bij zich droeg toen hij Maria de Blijde Boodschap verkondigde, negen maanden vóór Christus

De engelbewaarder had zich kosten noch moeite gespaard om zijn verzameling zo compleet mogelijk te maken en alles zo mooi en interessant als maar kon tentoon te stellen. Hij was dan ook heel tevreden over zijn kleine engelenmuseum.

Op een dag, toen de laatste bezoekers naar buiten gedrenteld waren en de engelbewaarder juist de deur van zijn zoldermuseum wilde sluiten, zag hij een man op de overloop staan. Een bundel zonlicht viel door het dakraam naar binnen en hulde de man in een werveling van gouden stofdeeltjes.
‘Mag ik nog binnenkomen?’ vroeg hij.
‘Natuurlijk, natuurlijk,’ antwoordde de engelbewaarder en hij deed de deur wijd open. Er kwamen nooit zo heel veel mensen naar zijn spulletjes kijken, dus hij was blij met elke bezoeker, ook al kwam die – zoals deze – vlak voor sluitingstijd. De engelbewaarder dacht: wat een mooie, warme stem. Ik geloof niet dat ik ooit zo’n mooie stem gehoord heb. En onwillekeurig glimlachte hij.
De bezoeker stapte naar binnen en bleef toen staan om eens goed om zich heen te kijken.
‘Wilt u iets voor mij doen?’ vroeg hij. ‘Wilt u mij rondleiden door dit prachtige museum en mij alles vertellen wat u weet?’
‘Natuurlijk, natuurlijk!’ zei de engelbewaarder, en hij verbaasde zich over zijn eigen stem, die hem ineens dun en schril in de oren klonk. Hij deed niets liever dan mensen rondleiden, maar het kwam maar zelden voor dat iemand hem dat vroeg.

De engelbewaarder en de bezoeker wandelden samen van vitrine naar vitrine en bekeken alles wat er maar te bekijken viel.

‘En wat is dit?’ vroeg de bezoeker, toen ze bij een kussentje waren aangeland waar één glanzende knopspeld in gestoken was.
‘Dit is de speld waar ooit 128 engelen tegelijkertijd op hebben gedanst,’ zei de engelbewaarder.
‘Hoe weet u dat zo precies?’ vroeg de bezoeker.
De engelbewaarder dacht: wat een belangstelling. Ik geloof niet dat ik ooit iemand met zo’n oprechte belangstelling heb ontmoet. En hij voelde zich warm van geluk.
‘Dat heeft een heilige mij verteld. Hij verkocht mij de knopspeld omdat hij oud was en bang was dat de speld in verkeerde handen zou vallen. Zijn geest was zó zuiver dat hij de engelen zelf had zien dansen, zei hij.’
‘Is het heus?’ zei de bezoeker. ‘Zei hij dat?’ Hij glimlachte een beetje bedroefd.
De engelbewaarder dacht: wat een lieve glimlach. Ik geloof niet dat ik ooit iemand zo heb zien glimlachen. En hij vreesde even dat hij zou barsten van blijdschap en verdriet.

‘En dit?’ vroeg de bezoeker.
‘Dit is een slagpen die uit een van de vleugels van de aartsengel Michaël is gevallen toen hij met de draak streed,’ antwoordde de engelbewaarder. ‘Dat groene spul is het bloed van de draak.’
‘Ach,’ zuchtte de bezoeker. ‘Kleeft er zelfs aan engelen bloed?’
De engelbewaarder dacht: wat een diepe zucht. Ik geloof niet dat ik ooit iemand zo’n zucht heb horen slaken. En hij voelde zijn ziel volstromen met schaamte.

‘En dit?’ vroeg de bezoeker.
‘Dat is een afgebroken arm van een stenen engel die stond te wenen op het graf van een kind,’ zei de engelbewaarder.
‘Waarom zou een engel wenen op het graf van een kind?’ vroeg de bezoeker. ‘Daar is toch geen enkele reden toe?’

En zo bekeken ze alles en bespraken ze alles, en overal waar de bezoeker liep of stond werd hij omhuld door een bundel zonlicht met miljoenen dansende stofjes. De bezoeker stelde vragen en de engelbewaarder gaf antwoorden.

Ten slotte kwamen ze bij een grote, lege kooi met vergulde spijlen.

‘En wat is dat?’ vroeg de bezoeker.
Ineens wilde de engelbewaarder geen antwoord meer geven. Het leek of zijn tong vastkleefde aan zijn verhemelte en het koude zweet brak hem uit. Maar de bezoeker keek hem aan, en de engelbewaarder moest antwoorden, of hij wilde of niet.
‘Dat is een kooi om een echte engel in te bewaren als ik er ooit een tegenkom,’ stamelde hij. ‘Ik heb wel stukjes en tekeningen en beelden van engelen, maar een echte, hele, levende engel heb ik nog niet.’
De engelbewaarder dacht: wat een ogen. Ik geloof niet dat ooit iemand mij zo heeft aangekeken. En wat hij voelde, is niet meer in woorden uit te drukken.

Toen opende de bezoeker de kooi en liep naar binnen. Achter hem viel de getraliede deur met een hoorbare klik in het slot. Midden in de kooi keerde hij zich om. Zo stond hij daar, in zijn zuil van licht, en hij keek nog één keer glimlachend naar de engelbewaarder. En juist toen de engelbewaarder dacht dat hij zou sterven bij die aanblik, verdween de vreemdeling spoorloos.

Het leek of de zon zelf was uitgedoofd. Het museum was ineens een donkere, kille plaats. De engelbewaarder bleef nog een hele poos voor de kooi staan staren. Hij zag dat het verguldsel op de spijlen dof was en bladderde. Het was buiten al lang donker, toen hij langzaam naar de deur liep. Hij liep langs een stuk steen, afgebroken van een levenloos beeld, langs een groezelige, met groene verf besmeurde veer van een grote vogel, een doodgewone knopspeld die een oplichter hem had verkocht, een gedroogde lelie en een pluk gesponnen glas. Toen hij op de overloop stond, deed hij de deur zorgvuldig achter zich op slot. Hij voelde zich moe en koud en slofte als een oude man de steile trappen af. Buiten gooide hij de sleutel van zijn museum in de gracht. Hij zuchtte diep en trok de kraag van zijn jas tot over zijn oren.

Maar toen hij naar huis liep, voelde hij plotseling iets warms dat binnen in hem begon te gloeien. Het leek alsof zijn ziel vleugels kreeg en alsof een glimlach die tegelijkertijd lief en bedroefd was zich bij zijn mondhoeken nestelde.

En hij begreep dat je een echte engel nooit in een kooi kunt bewaren, zodat hij vanaf dat moment een echte engelbewaarder was.


Categorie: