04/04

Willen en kunnen

Een kind kan de was doen. Maar wíl het dat ook?

Als je zegt dat je iets niet kunt, is er altijd wel een opvoeder die roept: ‘Je kúnt het wel, als je maar wílt.’ Dat is vaak waar, maar soms ook niet. Er zijn dingen die ik echt niet kan. Wat ik wél kan, is iets vertellen over dat glibberigste van alle werkwoorden: willen.

Willen is een tegendraads werkwoord. Normale werkwoorden krijgen in de onvoltooid tegenwoordige tijd, derde persoon enkelvoud (Huh? Ja, hij/zij/het loopt, weet je wel. O ja.) keurig een t op het eind. Maar onregelmatige werkwoorden hebben daar nogal eens lak aan. Zij is. Het mag. Hij zal.

Willen is ook zo’n gevalletje apart. En het rare is, in tegenstelling tot zijn, mogen, zullen, kunnen en dergelijke brengt willen menig schrijver in de war. En dan lees je ineens: hij wilt.
Maar als je gewoon onthoudt wat de opvoeders roepen (willen = kunnen) dan weet je voortaan hoe het moet.

Ik kan
Jij kunt
Hij/zij/het kan

Ik wil
Jij wilt
Hij/zij/het wil

Een kind kan de was doen. Blijft de vraag of het kind dat wíl.


Categorie: